De Verdwijning Cover Fitting.png

In de stad verdwijnen sinds meer dan een jaar meisjes en jonge vrouwen. De politie staat machteloos: geen getuigen, geen sporen, geen eis tot losgeld. Hoofdinspecteur Diaz, een door zijn verleden getroebleerd man, leidt het onderzoek.
Ambtenaar Barrio wil zijn vijftienjarige nichtje van haar maagdelijkheid verlossen. Ook zij verdwijnt.
Aan de universiteit onderzoekt professor Kristeva een zorgwekkend kosmisch verschijnsel. Aan de zichtbare rand van het heelal verdwijnen hele sterrenstelsels. Is een ramp van ongeziene proporties op komst?
Haar collega Fayard, hoogleraar semiotiek, verontrust zijn studenten met een college over de Australische film Picnic at Hanging Rock, waarin schoolmeisjes op mysterieuze wijze verdwijnen. Hij heeft zijn blik laten vallen op de jongere zus van zijn vriendin. Ze wordt plots vermist.
Boven hun hoofden draait de laatste astronaut in een ruimtestation om de aarde.

 

Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2018. 


 
Een Pareltje!
— Kevin Valgaeren, auteur van 'Blackwell'.
Al twee jaar lang verdwijnen er meisjes in een niet nader genoemde stad (vermoedelijk Leuven). Veertien- en vijftienjarigen, die nooit meer opdagen. Hoofdpersonen Barrio en Fayard, mannen met pedoseksuele gedachten, moeten op hun tellen passen, willen ze niet als verdachten te boek komen te staan. Of, nog erger, door het morrende volk aan stukjes worden gereten. We volgen hun soms meer dan wonderlijke wegen door een samenleving waar de angst regeert. De politie bakt er, ook in dit boek, niets van. Hoofdinspecteur Diaz komt daardoor in het nauw, want de politiek eist dat er koppen rollen. Ongeveer halverwege ontdekt de lezer dat de verdwijningen weleens ‘misdaadloos’ kunnen zijn. Dat de kinderen misschien voor een andere wereld kiezen. Het is typisch Eekhauts. Of moeten we gelijk de schrijver zeggen: ‘borgesiaans’ (naar Jorge Louis Borges)? Waarheid en verbeelding liggen dichter bij elkaar dan we voor mogelijk houden. En voor wenselijk, in een thriller.
— Arno Ruitenbeek in Vrij Nederland
Het taalgebruik is buitengewoon sierlijk, met mooie volzinnen en een prachtige vertelstijl.
De hoofdrol lijkt echter niet weggelegd voor de karakters, maar eerder voor de verteller.
De conclusie kan niet anders luiden dan dat de mooie stilistische vondsten het boek meerwaarde geven, maar dat deze verdiende credits ingeleverd moeten worden door het moeilijk te snappen verhaal, waarin weinig voortgang zit en aan de oppervlakte blijft.
— Edwin Lommers, Hebban.